Liturgie voor de Paasviering 23 maart 2008.
Voorganger:ds. Theun Palma
Organist: dhr. Johan Oenk
Trompetten:Jan Willem en Jurjen Beimers.
Lector: Bram Berends
Liturgische schikking: Anja Sparreboom
Cantorij o.l.v. Edze van der Laan
Musicalkoor o.l.v. Ria van de Weerd
Kinderen van de nevendienst
Catechisanten van de Providergroep “Je eigen paaskaars maken”
Thema van de dienst: “Opgestaan”
Voor de dienst.
Tussentijds 172;
Gezang 221 : 1,2,3
Gezang 224 : 1,2,4,5,6
Begin van de dienst.
Gemeente gaat staan
Moment van Stilte
Aanvangswoorden:
v. De Heer is waarlijk opgestaan
a. HALLELUJA
v. en onze Hulp is in de Naam van de Heer
a. DE EERSTE EN DE LAATSTE EN DE LEVENDE.DE VADER EN DE ZOON EN DE HEILIGE GEEST
v. Dit is de dag die de Heer ons gemaakt heeft.
a. LATEN WIJ JUICHEN EN ONS VERHEUGEN
We zingen: Psalm 118 : 1 + 7
Klein Gloria:
Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Als in den beginne, nu en immer
en van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen
Gemeente gaat zitten
We zingen: Joh. de Heer 25 “Daar juicht een toon, daar klinkt een stem” ( alle verzen )
Licht van het leven:
De paaskaarsen worden binnen gedragen,
de cantorij zingt daarbij: “Licht dat terug komt in de morgen” .
Licht van het leven
Samen zingen we: Geroepen om te zingen: Lied 127 : 1
We noemen de namen van de kinderen, die de afgelopen periode gedoopt zijn:
Jelte de Vries, geboren 18 februari 2006
Deen Rard Nijenhuis, geboren 10 juli 2006
Jeske Christa Roebersen, geboren 23 november 2006
We zingen: Geroepen om te zingen: lied 152 ( 3x in canon )
Gebed voor het lezen uit de Bijbel
Kinderen komen naar voren.
Projectlied
Uitleg liturgische schikking schriftlezing: Johannes 20 : 1 t/m 18
Cantorij zingt: Halleluja.
Gemeente neemt het ‘Halleluja’ over door aansluitend te zingen: Gezang 212 : 1,2,3,5 Verkondiging: “Opgestaan”
De Heer is waarlijk opgestaan. “Opgestaan” De voltooid tegenwoordige tijd. “Het is volbracht” klonk het. “Hij leeft” klinkt het. Het aardse leven van onze Heer en Heiland is voltooid. Hij heeft de dood achter zich gelaten. Dat gold toen. Dat geldt ook nu. Wij mogen leven op wat er toen is gebeurd, in de Geest van de Levende op weg naar Zijn toekomst.
“Dag en nacht is Hij er voor ons”. Dag en nacht, zo zeggen wij dat. Eerst de dag, dan de nacht. Eerst het licht dan de duisternis. Bijbels gezien is dat de omgekeerde wereld. Daar wordt gesproken van ‘nacht en dag’. Daar wordt het altijd eerst avond en pas dan morgen. Dat is zo vanaf “in den beginne”. Het is donker, het wordt licht. Zonder die nacht, die duisternis, die onmacht en die chaos ontstaat er niets, wordt er niets geschapen en komt er ook geen licht. Zonder Goede Vrijdag geen Pasen. Zoals eens op de eerste dag Gods Geest over de duisternis van de aarde zweefde en Hij sprak: “Er zij licht” en zie er was licht. Zo gaat Gods Geest nu over de duisternis van de dood. “Er zij licht” en de duistere geest van de dood wijkt terug. De Heer is waarlijk opgestaan. De tweede Adam. Het is de eerste dag van Gods nieuwe schepping. Het is avond geweest. Nu is het morgen. “En God zag dat het goed was”
Het donkere graf staat wijd open. Een helder licht schijnt naar buiten en verdrijft de schaduw van de dood. En het gebeurt allemaal op de eerste dag na sabbat. De eerste dag van de week. Een nieuwe werkweek begint. Nu gaan wij aan het werk. En waar onze Heiland eindigde in het donker, mogen wij beginnen in het volle licht. De godganselijke zon gaat op. De stralen van zijn liefde, de stralen van zijn warmte raken ons . Doen ons van kleur verschieten, maken ons tot herboren mensen, als na een zonnige vakantie. We zijn mensen van het licht. Het is de eerste dag.
Die eerste dag is ook de derde dag. De derde dag sinds alles is geschied, schrijft de evangelist Lucas. De derde dag. Dag van bevrijding. Dag van de definitieve voltooiing.
De derde dag: Jezus doet zijn eerste tekenen in Kana Wat dood dreigde te lopen werd een nieuw en nog veel mooier feest.
De derde dag: Jezus gaat naar het graf van Lazarus. Dood wordt nieuw leven.
De derde dag: Ook in het Oude Testament dag van bevrijding. Het komt er maar liefst 69 keer in voor. Johannes staat daarmee in een lange en onverwoestbare traditie: De derde dag: dag van de schepping van leven op aarde .
Eerste dag, derde dag, dag van licht. Licht ontloken aan het donker van de nacht, licht gebroken uit een stenen graf, levenslicht, licht aangestoken aan Gods liefde, Licht geschapen door zijn stem. Licht dat vanaf de eerste dag stralen mag in onze ogen. Warme vuurvlam, dat oplicht in de nachten van ons bestaan. Licht, waarin ik lachen mag, huilen mag, schreeuwen mag van ellende, werken mag. Licht, waarin we elkaar zien, zoals Jezus ons ziet. Licht wat ik mag laten schijnen in het donker van mijn naaste. Licht, waarmee mijn naaste mij omgeeft.
Onze levenstuin, ze kan soms aarde donker zijn. We zien dan geen hand voor ogen. De toekomst lijkt gesloten. Op de tast proberen we onze weg te vinden. Een doodlopende weg.
Maria uit Magdala. In het donker gaat ze op weg. De tuin is donker, aarde donker. Haar einddoel is een graf. Zij heeft de dood voor ogen. Jezus’ sterven heeft haar levenslicht gedoofd. Een dood lichaam blijft. Het definitieve afscheid is nabij. Nog een paar daden van liefde en respect en dan zal ze zonder Hem verder moeten. Haar leven is een chaos zoals eens de aarde dat was. Zo verblindt is zij door het verleden, dat ze geen oog heeft voor de toekomst. Een gesloten graf.
Opeens: Door haar tranen heen ziet ze het. Het graf is open. Vast als ze zit in haar verdriet vergeet ze wat Jezus over deze dag heeft gezegd. Dat dit de derde dag is sinds alles is geschied. Dat dit de eerste dag is van een nieuw leven, van een nieuwe wereld. Dat er licht zal zijn, ook in haar duisternis. In haar verwarring is ze het allemaal vergeten. Ze kan maar niet los komen van de donkere levensnacht. Ze vlucht terug in haar verleden. Keert de toekomst letterlijk en figuurlijk de rug toe. Ze is een mens als wij. Dood is dood. Paniek in plaats van rust. Ze weet niet hoe hard ze lopen moeten. Zo snel mogelijk terug. Terug naar haar veilige en vertrouwde leven.
Ze zoekt steun bij een paar vrienden van Jezus. Petrus en Johannes. Hier groeit al iets van die nieuwe gemeente van Christus, waarin we steun mogen zoeken bij elkaar. Steun ook in het geloof. Elkaar vast houden als we het alleen even niet zien. Hier wordt het eerste licht van de nieuwe gemeente ontstoken. Samen oplopen in de verwarring van het leven. Samen zoeken naar het licht in de duisternis. Ze gaan op weg. Het zijn gewone mensen als wij. De een kan niet wachten en snelt voor alles en iedereen uit. De ander durft niet, zoekt voorzichtig zijn weg.
En dan de ‘geliefde leerling’. Hij bereikt als eerste het graf. Hij gaat naar binnen. Geen dood lichaam. Alleen zijn kleding. En tegelijk ziet hij het. Begrijpt hij het. Hier moet ik niet zijn. Jezus is hier niet. Alleen zijn kleding, zijn aardse omhulsel is er nog. Hij is als het ware ontsluierd. Hij is nu helemaal zichzelf geworden. Alles valt nu op zijn plaats. Jezus is de dood te boven. De leerling doet wat de Meester even daarvoor deed. Hij staat op en laat het graf achter zich. Laat het huis van doden achter zich. De eerste volgeling van dood naar leven is geboren. Velen zullen volgen.
Ja en dan dat laatste stukje van onze evangelielezing van vanmorgen. Het roept vragen op. Hoe kan het dat Maria Jezus niet herkent. Hoe kan het dat later de Emmaüsgangers Jezus niet herkennen. Hoe komt Hij bij ons binnen als we de deur op slot hebben. Het zijn allemaal begrijpelijke vragen. Maar gemeente ze doen er absoluut niet toe. Ergens las ik zelfs, dat het ongelovig is deze vragen te stellen. Mogen we dat dan niet weten? Misschien wel, maar daar gaat het niet om. Het is helemaal niet nodig dat we het weten. Het gaat om “geloven” en niet om kennis. Geloven we, dat Jezus leeft. Geloven we dat Hij er voor ons is. Dat wij door Hem gekend zijn. Heel persoonlijk gekend zijn. Geloven we dat Hij het licht in en van ons leven is.
“Maria”, zegt de stem. En zonder Hem te zien gelooft ze. Raboeni, meester. Hij kent mij. Hij kent mij met naam en toenaam. Ik mag bij Hem horen. Hij noemt vanmorgen ook u, ook jou, ook mij bij de naam. En die gesloten deur? Het is de deur van ons hart. We zitten op slot. Toch komt Hij ook bij ons binnen. Hij doorbreekt de beveiliging van ons eigen ‘’Ik”. Hij verbreekt de ketenen, waarmee wij gebonden zijn. Hij luistert naar ons, zoals Hij eens naar de Emmaüsgangers heeft geluisterd. Door Hem zijn we gekend. Echt gekend. En eigenlijk doet onze kennis er dan niet meer toe.
Misschien kunt u het Maria proberen naar te zeggen: “Ik heb de Heer gezien”. In heel andere woorden schreef iemand van ons een gedicht. Hij gaf het me. Misschien kun je er iets mee in de dienst. Graag geef ik zijn woorden door:
Drie dagen later gingen twee vrouwen naar het graf,
Waarvan ze dachten dat het lichaam daar ter ruste lag.
De steen was weggenomen, het graf was leeg,
Wie had het lichaam meegenomen? Wie had zo iets beleefd.
Een tuinman werd gezien, de vrouwen vroegen hem,
Heeft U het lichaam weggenomen, heeft u dit soms gedaan,
Toen verscheen er een Engel en zei, Wees niet bevreesd,
Hij heeft hem niet weggenomen, nee hij is het niet geweest.
Ga naar de stad, laat een ieder weten wat u heeft gezien,
U zult niet worden geloofd, of wel misschien.
Vertel aan ieder die het wil horen en maak ze blij,
Dat hij waarlijk is opgestaan, voor een ieder, voor jou en voor mij.
“Ik heb de Heer gezien”. Zo zei Maria het. Amen.
We zingen: Gezang 215 alle verzen
Tijdens naspel: de kinderen terug in ons midden.
Zij zingen: Hij leeft!
Maria kwam bij het graf en huilde om haar Heer
De grote steen was weggerold en Jezus was er niet meer
Maar een engel zei plotseling, weet je niet meer
Wat Hij gesproken heeft.
Hij is opgestaan, Hij is opgestaan, Hij leeft, Hij leeft (2x)
De discipelen waren zo moe, ze treurden om de Heer
Waar moesten ze nu nog naar toe, hun meester was er niet meer
Maria riep plotseling, Hij heeft gedaan
Wat Hij gesproken heeft.
Hij is opgestaan, Hij is opgestaan, Hij leeft, Hij leeft (2x)
Dankzegging, voorbeden, stil gebed.
We sluiten onze gebeden af met het zingen van “ Onze Vader…” ( EL lied 466 )
Musicalkoor zingt: Dromen.
Wij droomden ons een weg door onze dood
Waarin we op Gods adem zouden leven
Een leven in Gods hand en hart geschreven
Wij droomden van een liefde in het groot.
Wij droomden, maar wij zaten op dood spoor
De mensenzoon is voor ons oog gekruisigd.
Een wereldpanorama zonder uitzicht
Die aarde draait, die aarde draait maar door.
Wij droomden van een hemel, open huis,
Van open armen, wij bij hem geborgen
En alles nieuw, ’t werd avond en ’t werd morgen
Wij werden dromend wakker bij dat kruis.
Wij dromen, droom, droom in Godsnaam door
Voor onze haat is nu het doek gevallen.
De doden zijn niet dood, ze leven allen
Ze vinden in het graf bij God gehoor.
Wij dromen, visioenen breken door:
De mensenzoon op onze schuld gespijkerd.
Wij zijn een wereld aan zijn liefde rijker
En komen zijn vergeving op het spoor.
Inzameling van de Gaven.
Slotlied:
Gezang 218
Gemeente blijft zitten:
vers 1 gemeente; vers 2 cantorij; vers 3 gemeente, vers 5 cantorij
De gemeente gaat staan: vers 7 en 8 gemeente.