Liturgie voor de Kerstnachtdienst.

Voorganger: ds. Theun Palma

organist: dhr. J. Oudhof

Koor: Jubilate Deo o.l.v. dhr. Jaap Neuteboom

Koperensemble o.l.v. Jan Willem Beimers

Declamatie Edze van der Laan

Voor de dienst op het kerkplein.

Er zijn warme vuren, warme glühwein en chocolademelk met een krentenstoet.

Samenzang op het kerkplein: Gezang 143  en “De herdertjes lagen bij nachte”

Met elkaar brengen we het licht in de kerk.

De dienst

Begroeting

We zingen: Gezang 138

Gebed

We luisteren naar het koor Jubilate Deo

We horen het kerstevangelie: Lucas 2 : 1 t/m 14

We zingen: Gezang 134 : 1+2+3

We vervolgen het kerstevangelie: Lucas 2 : 15 t/m 20

We zingen: Gezang 145 : 1+2+3

Kerstmeditatie

We luisteren naar het koor Jubilate Deo

Declamatie door Edze van der Laan

We zingen: Gezang 139 : 1+3

Dankgebed

Terwijl de kerk wordt verduisterd en de kaarsen ontstoken zingen we: “Ere zij God”

Afsluiting

Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht.  Dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht.

Kaarsje brandend in de nacht.

Er spelen kinderen in de straat. Het gaat er vrolijk aan toe. Tot…tot dat verschrikkelijke moment rond vier uur ’s middags. Al spelend krijgt één van hen een fataal ongeluk. Evi van drie jaar is dood. De hele straat is heel verdrietig en veranderde van het ene op het andere moment; van speelsheid naar ontreddering. Van vrolijk licht in diepe duisternis. Diezelfde avond nog worden er bloemen gelegd op de plaats waar het ongeluk gebeurt is. En lichtjes komen er. Veel lichtjes. Om de donkerte van de nacht te verjagen. Die heilloze plaats van het ongeval wordt een stille herdenkingsplaats. Met het gezin wordt intens meegeleefd. Op een hartverwarmende manier bieden mensen hun hulp aan.

Allemaal kaarsjes, branden in de nacht.

Hij is alleen die kerstnacht. Stil zit hij voor het raam. Hij voelt zich eenzaam. In de verte schitteren de lampjes achter de ramen van een flat. Mensen vieren feest. Ere zij God in den hoge.

Verdrietig staart hij in het donker. Hij voelt zich eenzamer dan ooit. Was zijn vrouw er nou nog maar. Zij hadden het altijd zo gezellig. Toen was het licht in hun kamer. Toen was het licht in hun harten. Hij zucht eens diep. Ik ga maar naar bed, dacht hij. Er komt nu toch niemand meer.

En dan klinkt dat lied: “Dat wij zijn als kaarsjes, brandend in de nacht”. Heldere kinderstemmen. Er wordt gebeld. Een kind houdt hem stralend een brandende kaars voor. “Jezus is geboren voor u en voor mij”. Zingend gaan de kinderen verder. De man zet de kaars op de tafel. In eens lijkt is het niet meer zo donker. Voelt hij zich niet meer zo alleen.

Die kinderen voor zijn deur. Kaarsjes brandend in de nacht.

Een groepje mannen hurkt bij elkaar. Het is koud die nacht. Donker ook. Angstig donker. In de verte klinkt het gerommel van granaten en mortieren. Lichtflitsen tegen de donkere hemel. Kerst? Het is ver weg. Vrede op aarde? Morgen kunnen we wel dood zijn. Opeens gaat één van de mannen rechtop staan. Zijn heldere stem klinkt door de nacht: “Jezus zegt dat Hij hier van ons verwacht. Dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht.” Geschrokken snoeren ze hem de mond. Pas op ze horen je. Wat mankeert jou ineens?

De soldaat ging weer zitten. Ineens, zei hij, ineens, ik weet ook niet waarom, moest ik denken aan dat verhaal van die donkere nacht 2000 jaar geleden. Herders zaten in het donker bij het vuur, net als wij. Herders waren bang, net als wij. Herders voelden zich buiten gesloten, net als wij. Ook om hen heen dreigde gevaar. En ineens was daar dat leger. Nee niet met geweren en kanonnen. Dat leger kwam uit de hemel en hun wapens waren woorden. Vrede op aarde. In de mensen een welbehagen. Wees maar niet bang, sprak één van die hemelse soldaten. Wees maar niet bang. Een kind bracht licht in een donkere stal. Even lijkt die donkere woestijn van die soldaten op dat donkere veld van die herders. Een ster straalde aan de hemel. Een ster van vrede midden in een oorlog. Ze staarden naar boven en zacht neurieden zij een lied: Ere zij God in den hoge. En vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Ver weg en toch oh zo dichtbij.

Soldaten op het slagveld: Kaarsjes brandend in de nacht.

De nacht duurt lang. De slaap wil maar niet komen. Gedachten dwarrelen door haar hoofd. Hoe moet het allemaal. Er moet nog zoveel gebeuren. In huis, de boodschappen, zou ik wel genoeg hebben? Hoe moet dat nou als het glad is. Kunnen de kinderen dan wel komen. Wat doe ik voor de hele kleintjes.

Het zweet breekt haar uit. Ze draait en ze draait de slaap wil maar niet komen. O, ik moet er wel om denken. Ze lusten lang niet allemaal die broccoli. Kerstfeest. Een mooie droom. Maar nu even niet. Nu is het even een nachtmerrie.

En dan. De klok beneden heeft net zes uur geslagen. Hoor muziek. Het is buiten. Klanken van trompetten en klarinetten. Stil blijft ze liggen. Het komt dichterbij. Kerstliederen: “Jezus zegt dat Hij, hier van ons verwacht. Dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht” De nachtmerrie wordt een droom. Weg met al die stress. Daar gaat het toch om. Jezus is geboren voor ons allemaal. Ook voor mij.

Dan komt toch nog de slaap. Veel te laat wordt ze wakker. Rustig staat ze op. Dat huis. Dat eten. Het komt allemaal wel goed. Er zijn belangrijkere dingen dan dat. Je zal maar ernstig ziek zijn en de kerst in het ziekenhuis moeten doorbrengen.

Veertien muzikanten op die koude kerstmorgen: kaarsjes, brandend in de nacht.

Verderop in een ziekenkamer van het ziekenhuis brandt de nachtverlichting. Ze probeert te slapen. Haar zorg en angst te vergeten. Ze weet het: Dit is misschien wel mijn laatste kerst. Tegen haar man en dochtertje heeft ze gezegd. Gaan jullie maar naar huis en versier een mooie kerstboom. In mijn gedachte zal ik bij jullie zijn. We horen toch bij elkaar. Maak maar iets lekkers en zet je kerst-cd aan. Zij ligt daar, helemaal alleen. Verdrietig en bang, bezorgd ook om haar man en dochtertje. Wat zou er van haar worden? Zachtjes gaat de deur open. “Mama, wij vinden het helemaal niet leuk zonder jou”. Een klein kerstboompje wordt op het nachtkastje gezet. Een tas vol lekkere dingen op het voeteneinde. Het wordt de mooiste kerst, die ze ooit gevierd hebben. Die ziekenkamer is even de stal. De stal, waar een Kind werd geboren. Ere zij God in den hoge. Wat lijkt Hij ver weg, maar even is Hij dichterbij dan ooit.

Brandende de kaarsjes in een donkere ziekenkamer.

Deze nacht: een Kind is geboren. Steek maar een kaarsje aan, een klein lichtje. voor jezelf, voor iemand die het nodig heeft, voor de wereld. Durf je niet? Wees maar niet bang, zeggen stemmen uit een donkere hemel, wees maar niet bang en zing maar met ons mee: Ere zij God in den hoge. Je denkt misschien dat Hij ver weg is. Maar Hij bij ons is. Ook bij jou, want weet je:  zijn naam is Emanuel. Ik ben bij je betekent dat. [ 3 kaarsen, 1. voor die soldaten ver van huis, wakend in de nacht. 2. Voor mensen zonder toekomst op straat, in de ziekenhuizen. 3. Voor misbruikte kinderen, mannen en vrouwen ] Laat warm en stil vandaag de kaarsen branden.God heeft ze in onze duisternis gebracht.Breng, als het kan, ons allen bij elkander.We weten het, uw licht schijnt in de nacht. Amen.