Liturgie voor de
dienst met de kinderen van het “Kamp Haagse
Kinderen” 12 augustus 2007.
Thema: “Waar maak je je druk om?”
Voorganger: ds. Theun Palma
Organist: dhr. Johan Oenk
Lector: dhr. Henk Rook
Welkom en mededelingen.
Aansteken van de Paaskaars.
We zingen: Psalm 75: 1+2+7.
Stil Gebed.
Groet
vg. De Heer zij met U,
gm. OOK MET U ZIJ DE HEER.
Bemoediging:
vg. Onze hulp is in de Naam van de Heer.
gm. DIE HEMEL EN AARDE GEMAAKT HEEFT. AMEN.
Drempelgebed.
We zingen: Klein Gloria.
We vieren met de kinderen.
We zingen: EL. Lied 456: 1+2.
We gaan bidden.
“Waar maak je je druk om?”.
We zingen EL. Lied 433 : 1+2+3.
Gebed voor het lezen uit de Bijbel.
We zingen: Geroepen om te zingen. Lied 232:1.2.3.4.
Bij het naspel gaan de kinderen gaan naar hun eigen dienst.
1e lezing: Jesaja 65 : 17-25.
We zingen: Psalm 33 : 1+8.
2e lezing: Lucas 12 : 32-40.
We zingen: Gezang 94 : 1+2+4.
Uitleg en verkondiging.
Orgelspel.
Dankzegging, voorbeden, Stil Gebed en Onze Vader.
Inzameling van de Gaven.
Slotlied: EL lied 58 : 1+2+3 in canon.
Heenzending en zegen.
Gemeente van de Heer,
Stad van vrede. Iemand had twee zonen. Toen hij stierf kregen beiden de helft van zijn land. Nu was de ene rijk maar had geen kinderen, de ander had zeven zonen en was arm. Die nacht kon de rijke zoon niet slapen. Mijn vader heeft zich vergist, dacht hij, want ik ben rijk, maar mijn broer is arm en heeft geen land voor zoveel zonen. En hij stond op en ging weg om nog voor het dag werd de grenspalen te verzetten.
Ook de arme zoon lag wakker die nacht. Mijn vader heeft zich vergist, dacht hij, want ik heb zeven zonen en mijn broer is eenzaam – en hij stond op en ging op weg om nog voor het dag werd de grenspalen te verzetten. Toen de dag aanbrak ontmoeten zij elkaar. Ik zeg je op die plaats zal de stad van vrede verrijzen.
Op die plaats herschept God Jeruzalem in een jubelende stad. Vaak denken we bij deze woorden van de profeet Jesaja aan een verre toekomst. Aan het einde van ons leven. Aan het einde van de wereld. Niets is minder waar. Het gaat zeker ook en misschien wel in de eerste plaats om ons leven. Hier en nu. Door wat wij doen doet God zijn scheppende werk. Op plaatsen en gebeurtenissen, waarover God zich verheugd ontstaat de nieuwe aarde en daarmee de nieuwe hemel: “Dan zal ik over Jeruzalem jubelen en mij verblijden over mijn volk”. Jezus zegt het zelf ook: “Gelukkig de knechten, die de Heer bij zijn komst wakend aantreft”. En dat wakend is niet alleen wakker zijn. Het is veel meer. Het is zo bezig zijn, voor jezelf en voor elkaar, dat de Here Jezus, dat onze Schepper daarmee meer in zijn nopjes is. Dat Hij blij is, omdat er dingen gebeuren, zoals Hij ze wil. Dan wil Hij er bij zijn. Dan herschept Hij de plaats waar je woont, de plaats waar je werkt tot een nieuwe plek. Tot het nieuwe Jeruzalem en uiteindelijk, als we allemaal mee willen doen tot een nieuwe aarde en – ik zei het net ook al – tot een nieuwe hemel. Want als de aarde nieuw is, als daar geen rouw en verdriet meer is, als het kwaad uit ons leven verdwijnt, wel dan is de hemel blij, verdwijnt daar het verdriet, de zorg om de aarde.
En zo kunnen we zeker ook deze week zeggen: “God herschept Hattem in een jubelende stad. Immers jongeren en kinderen komen. We zijn blij dat ze er zijn. Even mogen ze alle narigheid van hun dagelijks leven vergeten, even hoeven ze niet bang of stoer te zijn. Hattemers en Hageneesjes, ze ontmoeten elkaar hier in de kerk. Daar in hun kampement. Ook dit zijn steden van vrede. En met ons, met al die kinderen en hun leiding zal God zich verheugen en wij met Hem: U alleen, u loven wij, want uw naam zo rijk van eer is tot onze vreugd nabij.
“Zie ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”. Machtige woorden. Hoopvolle woorden ook, die de profeet Jesaja optekent uit de mond van onze Heer. Heel bijzondere woorden ook. “Ki” Daar begint het wonder al. “Zie” wordt in onze bijbel vertaald. “Omdat” betekent het ook wel. Hier drukt het veel meer uit. Dat hebben andere vertalers heel goed begrepen. “Waarlijk”. “Wis en waarachtig” zouden wij misschien zeggen. Wat God nu zegt zijn geen mooie woorden of loze beloften. Dat woordje ‘ki’ zet als het ware een dikke, een dubbele streep onder alles wat er daarna wordt gezegd. Wat er nu komt gaat echt, werkelijk waar, gebeuren. En wat er gaat gebeuren zet alles, zet heel de wereld, zet heel ons leven op zijn kop. Let maar op!!! Wees waakzaam!!!, zal Jezus later zeggen. Alles wordt “nieuw”. En daarmee stuiten we al weer op een woordje in de tekst, waar we misschien zomaar over heen lezen. ‘nieuw’. Een grondige verbouwing, denken wij misschien. Opnieuw: het tegendeel is waar. Het oorspronkelijke Bijbelwoord voor ‘nieuw’ betekent helemaal het tegenovergestelde van wat het was. Geen metamorfose, zoals we er zoveel op de televisie zien. Geen opknapbeurt, nee “Ik herschep Jeruzalem” wil zeggen: Er ontstaat een totaal andere stad. Niets is er meer te vergelijken met zoals het was. Niets zal nog herinneren aan vroeger: “Wat vroeger was, raakt in vergetelheid, het komt niemand ooit nog voor de geest”. Waar wij verdriet hadden, zullen we voortaan blij zijn. Waar ouderen uit angst voor bedreigingen hun deuren gesloten hadden en in donker niet meer de straat op gaan, zullen zij nu oud worden zonder angst en pijn. Waar kinderen sterven door geweld of honger, zullen zij nu leven, blij zijn en vrolijk: “Wij zullen geen kinderen baren voor een verschrikkelijk lot”, schrijft de profeet.
Wat voor ons van onschatbare waarde is, wordt een hemelse schat. Zelfs de tegenstellingen in de natuur, die wij zo gewoon zijn gaan vinden zullen radicaal veranderen: Waar de wolf het lam dood voor eigen consumptie, lopen zij nu eensgezind in de prachtige groene weiden. De natuurlijke vijandschap tussen koe en leeuw verandert in een gezamenlijke maaltijd. En het symbool van het kwaad, de slang, mag bijten in het stof. “Niemand doet niemand meer kwaad op mijn heilige berg, zegt de Heer”.
Als God het woord ‘nieuw’ in de mond neemt dan mogen we ervan verzekerd zijn, dat er geen greintje kwaad zal achterblijven. Waar God aanwezig is is alle kwaad uitgebannen, dan zullen hemel en aarde één zijn. Weer helemaal bij elkaar horen. Dat wordt er bedoeld met ‘mijn heilige berg’. Een berg verbindt de hemel met de aarde, zegt de Bijbelse symboliek. Gods woonplaats en dat van de mensen raken elkaar. Zijn één geheel.
Daaruit mogen we moed putten, als we als tegen een berg opzien tegen de dood. Op die berg, lieve mensen, is God. Daar is geen kwaad. Ook niet het kwaad van de dood. De klim is soms zwaar, misschien zelfs te zwaar. Maar God is erbij. Hij klimt met je mee. Zijn heilige berg zal bedwongen worden en we zullen er leven in een nieuwe, dus totaal andere wereld. Volkomen nieuw, maar tegelijk ook een wereld die verbonden blijft met onze wereld. Verbonden blijft met de Herschepper van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Dus: “Waar maken wij ons druk om?” In elk geval niet om de vraag of die nieuwe hemel en die nieuwe aarde er wel zullen komen. Of God wel waar maakt wat Hij belooft. Laten we dat maar aan Hem overlaten. Die belofte is bij Hem en bij Hem alleen in goede, in veilige, in betrouwbare handen.
Laten wij ons maar druk maken over de vraag in hoeverre wij in staat en vooral bereid zijn aan elkaar en aan anderen iets van de hemel op aarde te laten zien. Het kan zomaar te laat zijn. Laten we stoppen met alleen maar ons eigen geluk te zoeken. Geluk is geen recht. Geluk is geen bezit. Geluk is een geschenk. Een cadeau van boven. Dat cadeau mogen we elkaar geven, omdat wij het zelf ook hebben gekregen. Dat cadeau mogen we samen uitpakken, er samen blij mee zijn, net als die beide broers van het begin.
En dan, dan komt er vrede. Vrede tussen de mensen, vrede tussen de dieren. Vrede in je hart. Vrede met God. Sjaloom. En God Zelf zal jubelen en juichen en hemel en aarde met Hem, als wij kans zien om iets te bouwen, mee te bouwen aan die stad van vrede. Ook al is het maar een piep klein schuurtje. De bouwtekeningen vinden we bij de Here Jezus, die we vanmorgen horen zeggen: “Ik zal je verhoren terwijl je nog spreekt”.
Amen, dacht ik toen ik dit had opgeschreven. Maar op datzelfde moment herinner ik mij een verhaaltje, een verhaaltje over zuster Theresa. En ik dacht ik kan nu geen amen zeggen Dat moet ik eerst vertellen.
Er boven staat: “Ik zie God in je ogen”.
“Waarom doe je dat?”vroeg een melaatse man aan moeder Theresa, terwijl ze zijn afgrijselijke wonden verzorgde. Iedereen zag de man langs de straat liggen, maar moeder Theresa boog zich over hem heen en droeg hem in haar armen. Haar antwoord was: “Omdat ik God zie in jouw gelaat”. De melaatse keek met zijn bloed doorlopen ogen naar het gezicht van moeder Theresa en zei verwonderd: “En ik zie God in jou, want niemand anders doet voor mij wat jij doet”.
Dat is het denk ik. Daar gaat het vanmorgen over. Wij kunnen wel denken, dat we God liefhebben, maar we maken onszelf iets wijs als we niet tegelijk ook elkaar, onze broeder of zuster in nood helpen.
Ik denk dat ik nu pas ‘amen’ mag zeggen. Amen.