Liturgie bij de dienst van zondag 21 oktober 2007.

 

Welkom en mededelingen

Paaskaars wordt ontstoken, waarbij we zingen: Geroepen om te zingen lied 127 : 1

Introïtus: psalm 121 : 1+2+4

Stil Moment             

Votum en Groet

Drempelgebed

Klein Gloria

Kyrië:  Gezang 119 : 1,2,5

Gloria psalm 81: 2,4,8,9

Gebed van de zondag

Geroepen om te zingen: lied 163

De kinderen komen naar voren.

1e lezing: Genesis 32 : 22-31

Geroepen om te zingen: lied 128: 1,2, [ wijs lied 127 ]

2e lezing Lucas 18 : 1-8

Geroepen om te zingen: lied 128: 3  [ wijs lied 127 ]

Verkondiging

Orgelspel

Dankzegging, voorbeden, stil gebed, Onze Vader

Inzameling van de Gaven

Slotlied: Gezang 21 : 1+3

Heenzending en zegen

 

 

Gemeente van de Heer,

Rabbi Gamaliël zei tegen de joodse overheden over de apostelen: “Laat hen begaan, want als het mensenwerk is wat zij nastreven, zal het op niets uitlopen, maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten of het zou wel eens kunnen blijken dat u tegen God strijdt”.

Strijden met God. Het lijkt in de woorden van Gamaliël alsof dat een vruchteloze strijd is. Niet te winnen en bovendien: Het mag niet.

Vanmorgen lezen we in de bijbel, dat het wel degelijk kan en mag, die strijd met God. En zo’n strijd is ook niet zinloos. In tegendeel Jacob mag na en door zijn worsteling met God opnieuw beginnen. Beiden vechten de hele nacht. Het eindigt onbeslist. Geen winnaar, geen verliezer.

Wat is dat voor een gevecht? Wat heeft het voor zin? En vooral: wat moeten wij met zo’n verhaal?

Wij waren vrijdag even terug in Raamsdonksveer. Ik mocht samen met een Rooms Katholieke collega twee mensen, die even daarvoor getrouwd waren, de zegen van God opleggen. Na de dienst sprak ik de organist. Hoe is het bij jullie? Hun zoontje was, toen wij daar nog woonden geboren met een ernstige hartafwijking. Dokters en ouders en niet in de laatste plaats het kindje zelf hebben gevochten voor zijn leven. Nu lijkt alles goed te gaan, maar nu zijn beide ouders behoorlijk overspannen. “Logisch”, zei ik, “na alles wat jullie hebben meegemaakt”. “Logisch misschien wel”, zei hij, “maar de strijd is er niet minder om”. Ik bedoelde het als troost. Maar het werkte averechts. Niet troost, maar een gevoel van niet begrepen worden, was het resultaat. Mark had het al zo vaak gehoord. Het gevecht dat hij en zijn vrouw al zo lang met God en de naaste uitvochten, duurde al zo lang. De nacht van zorg en verdriet was zo lang. Het wilde maar geen dag worden in hun leven.

Als alles weer een beetje goed lijkt te gaan, de rust weerkeert in je leven, gaat je verleden opspelen. Juist ’s nachts in het donker komt alles in zijn volle hevigheid terug. Juist het donker kun je gegrepen worden door zorg, door angst. Juist in het donker overschaduwt alles wat je hebt meegemaakt de toekomst. Je vecht en vecht. Met jezelf en met God. En die strijd is altijd een persoonlijk strijd. Die moet je helemaal alleen voeren. Niemand kan je daarbij helpen.

Dat overkomt Jacob ook. Heel zijn verleden. Het bedrog thuis, zijn leven bij Laban, zijn terugtocht door de woestijn. Een nachtmerrie. En de toekomst is onzeker. Daar staat hij, op de grens van verleden en toekomst. Wat moet hij nu? Die nacht voert hij een eenzame strijd. Een hevige strijd ook. Hij moet breken met het verleden, maar durft een nieuwe toekomst niet aan.

Ik denk dat we die donkere en o zo moeilijke strijd allemaal wel kennen. Na een lang leven samen, moet je alleen verder. Op de grens van je leven samen en een toekomst alleen voer je helemaal alleen een hevige strijd. Een rechtstreeks gevecht met God. Je kunt maan t lokomen van je verslaving. Je verdriet om een verbroken relatie. “Waarom, Heer, waarom moest dit gebeuren”. Ik kan niet alleen verder, ik wil niet alleen verder. Hoe moet ik nu nog geloven, dat u een goede God bent, dat u ook van mij houdt. Nou als dat zo was, dan was ik nu niet alleen. Had ik niet zoveel moeite om van de drank af te blijven.

Een heftig gevecht ook met de mensen om je heen. Och ze bedoelen het goed, en ik ben ze ook heel dankbaar, maar ik voel me zo alleen. Ik kan dat verleden maar niet loslaten. De toekomst lijkt gesloten.

Ook Jacob voert een felle strijd met God. Hij vecht ook met zijn angst voor de toekomst. Esau, als de dood is hij voor zijn wraak. Daar op de grens van zijn oude en zijn nieuwe leven lijkt zijn toekomst één grote nachtmerrie. Hij gaat het gevecht aan. Het zijn persoonlijke gevecht met God en de mensen. Nog wordt de naam van de tegenstander niet genoemd. Hij vecht met ‘ish’; ‘iemand’ staat er. Op deze manier maakt de Bijbelschrijver ons duidelijk, dat Jacob hier in feite met iedereen worstelt. Met God en de mensen. Wat moet hij zich alleen gevoeld hebben. Wat kunnen wij ons in die strijd alleen, eenzaam voelen. Maar Jacob gaat bewust die strijd aan: “Jacob staat op” lezen we. “Quaam” staat er in de oude Bijbeltaal. “Breken met het oude” betekent dat letterlijk. Hij wil met zijn verleden breken. Schoon schip maken en opnieuw beginnen. En dat dat niet meevalt, wel dat blijkt uit de hevigheid en de lengte van het gevecht.

Nu komen we aan de kern van ons verhaal. Als u het verhaal nauwkeurig leest en herleest, zult u zien waar het omgaat. Alle gebeurtenissen worden als een verhaal beschreven. Het is een verslag van de gebeurtenissen toen. Behalve de verzen 27 t/m 30. Het verhaal wordt onderbroken door een gesprek. Daarna gaat het verhaal weer door. Als je zoiets merkt in een Bijbelverhaal dan betekent dat altijd iets. Meestal en ook hier wil dat zeggen, dat je daar de kern, de betekenis, de boodschap kunt vinden.

De worsteling tussen Jacob en die onbekende ‘iemand’ loopt uit op een gesprek. Een gesprek tussen hem en God. Een gebed. Een gebed om de zegen van God. Heer, alleen kan, alleen wil en alleen durf ik niet verder. Gaat u met mij mee. Zegen mij. Pas als u dat doet kan ik weer verder. In het Hebreeuws klinkt Gods antwoord dan zo prachtig. Als een lied haast, hoor maar “waju varèkh ootoo sjaam” en “Hij zegende hem daar”

Ook ons leven is soms een strijd. Een heftige strijd. God zegt niet. Dat mag niet. Vertrouw nou maar dat Ik het beste met je voor hebt. In tegendeel: God gaat het gevecht met je aan. En Hij zou makkelijk van je kunnen winnen, maar dat gebeurt niet. God wil je niet vernietigen. Hij neemt je serieus. Ook als je Hem van alles verwijt. Het hele gevecht doet Hij mee. Op enig moment stopt Hij. En opnieuw laat hij je de keus. Dit gevecht is voor ons allebei niet te winnen. Ik wil niet winnen en jij kunt niet winnen. Laten we daarom stoppen. En dat zou je kunnen doen en gewoon weggaan.

Maar je kunt ook iets anders doen. Je kunt met God in gesprek gaan: Heer ik kan, ik wil niet zonder u. Ik weet ook niet hoe ik verder moet. Ik voel me zo eenzaam. Gaat U alstublieft met mij mee met uw zegen. Alleen dan kan ik het verleden loslaten. Alleen kan ik, durf ik niet verder. Het is in mijn leven zo donker geworden.

Dan klinken ook in ons leven die machtige woorden: “waje varèkh ootoo sjaam” en “Hij zegende u, jou, mij”. En dan…. Het wordt lichter. Een nieuwe dag breekt aan. Er komt weer uitzicht. Er zijn weer lichtpuntjes. Voorzichtig kun je weer verder gaan. Alles achter je laten. Een nieuwe toekomst kan beginnen.

Is het zo makkelijk allemaal. Kun je dan ineens vergeten. Doen alsof er niet gebeurd is. Natuurlijk niet. Soms blijft het donker. Soms lijkt het er even op dat er iets verandert. Maar al gauw val je terug, terug in je verdriet, terug in je zorg, je eenzaamheid. De zon in je leven gaat onder. De dag is voorbij. Het is weer aardedonker. Tastend ga je verder.   Daarom is het goed om vanmorgen ook naar de Here Jezus te luisteren. “Blijf praten” zegt Hij. “Houdt vol. Volhardt in je gebed”. Als zelfs iemand die niets van Mij, niets van de mensen wil weten toch recht doet aan de weduwe, zou God jou dan niet horen, jou dan niet helpen. Jou zijn zegen onthouden?

Bij Jacob lijkt alles zich in één nacht te voltrekken. Maar er was een lange ballingschap voor nodig om zover te komen. Dat geldt ook voor u, voor jou en voor mij. We hebben tijd nodig om los te komen van ons verleden, los te komen van eenzaamheid en verdriet, los te komen van je verslaving, je slechte gewoonten. Jezus zegt: Praat met God en blijf praten. Het helpt

God zal ook ieder van ons antwoorden: “waje varèkh ootoo sjaam”. Ik zal ook u, ook jou en jou zegenen. Je mag opnieuw beginnen. Je kunt de grensrivier van je leven oversteken. De zon komt op ook in jou leven.

Zal dan alles vergeten zijn? Natuurlijk niet. Er zijn dingen, er zijn mensen die je nooit zult vergeten. Littekens zul je blijven zien. Littekens zul je blijven voelen. Gehavend moet je verder.

Jacob begint hinkend aan zijn nieuwe leven. Maar hij kan verder. Hij krijgt een nieuwe naam, een nieuwe identiteit: Niet langer is hij de bedrieger die hij was. Zijn naam is Israël. Met die naam komt Jacob als een ander mens uit de nachtelijke worsteling te voorschijn en kan hij een nieuw gezegend, maar toch ook getekend begin maken. De zon gaat op, de nacht is voorbij. Wolken blijven er, maar ze zullen steeds weer overdrijven. We zijn immers gezegende mensen. Van nu aan tot in eeuwigheid. En zo kunnen we onze naaste tegemoet gaan, onder ogen komen net als Israël zijn broer onder ogen durfde komen.

Er is weer een weg, een horizon,

Een God die wenkt om mee te gaan.Wat sta ik dan te weifelen?

Ik adem diep en waag de sprong.

Hier is mijn hand, zegt God naast mij.

Daar ligt het land, het is vlakbij.

Dit is de weg, zelfs door de zee.

Volg Mij gerust, want Ik trek mee.

Amen