Herdenkingsdienst 25 november 2007
Welkom en mededelingen
Aansteken van de Paaskaars.
DIENST VAN DE VOORBEREIDING
Gemeente gaat staan.
Aanvangslied: psalm 46 : 1 en 3 Stil Gebed.
Groet vg. De Heer zij met U gem. OOK MET U ZIJ DE HEER .
Bemoediging vg. Onze hulp is in de Naam van de Heer. gem. DIE HEMEL EN AARDE
GEMAAKT HEEFT. AMEN Drempelgebed Klein Gloria Gemeente gaat zitten
Zingend bidden wij God om een nieuw begin: Gezang 404: 1 en 3 gemeente. Vers 2
cantorij Een Woord voor het leven.
DIENST VAN HET WOORD
Gebed van de zondag. Lied van de school Psalm 105 : 3 Tijdens naspel gaan de
kinderen naar hun eigen dienst.
Schriftlezing: Lucas 20 : 27 – 38 Gezang 91 : 1 + 2 [ GRAAG OPNEMEN MET NOTEN ]
Meditatie Cantorij zingt: “Comfort, o Lord” Vertaling Verblijd het hart van uw
dienaar, naar u verlang ik, Heer. Hoor mijn gebed, HEER, luister naar mijn
smeken. Wijs mij uw weg, HEER, laat mij wandelen op het pad van uw waarheid.
Verblijd het hart van uw dienaar, naar u verlang ik, Heer.
DIENST VAN OMZIEN EN GEDENKEN
Bij het noemen van de namen zingen we een lied, dat geschreven is door Willem
Barnard. Hij geeft bij zijn lied de volgende toelichting: “Ik had eigenlijk niet
verwacht dat dit gedicht gezongen zou kunnen worden. Het heeft wel een
liturgische tekst, een gebed tot de Opgestane. Het heeft dat
herinneringskarakter dat de eucharistische gebeden vanouds eigen is, naar
Bijbels voorbeeld. Het lied bevat een rijke schat aan motieven, die aan de
bijbel zijn ontleend. Het gaat over mensen die ons zijn voorgegaan en die wij in
gedachtenis moeten houden. De Here God laat zich kennen aan gestorvenen en
opgewekten, aan dé gestorvene en dé opgewekte bij uitstek: de Mensenzoon Jezus.
[OOK DIT LIED ALS HET MOGELIJK IS MET NOTEN]
We zingen samen met de cantorij alle verzen van lied II 125 uit “Geloven om te
zingen”: vers 1 en 2 door de cantorij, vervolgens vers 3 en 4 door de gemeente,
na de volgende herdenking vers 5 en 6 door de cantorij, vervolgens vers 7 en 8
door de gemeente. Na de volgende naam vers 9 en 10 Afsluitend vers 11 door de
gemeente en vers 12 door de cantorij.
Persoonlijke Gedachtenis
Voor wie dat wil is er nu de gelegenheid een drijfkaarsje aan te steken voor een
persoonlijke herinnering. De cantorij zingt: Gezang 273.
We zingen: Gezang 199: 1+2+6+7. Tijdens het naspel komen de kinderen terug. Zij
vullen de herinneringsboom met persoonlijke herinneringen.
DIENST VAN HET ANTWOORD
Dankzegging, voorbeden, stil gebed, Onze Vader
Inzameling van de Gaven
Slotzang: Gezang 114 : 1+3
Heenzending en zegen.
Gemeente van de levende Heer in het bijzonder u die als
gasten in ons midden bent.
We herinneren ons hun namen. Ze waren in ons midden. We hebben met ze gepraat,
koffie gedronken, gelachen en gehuild. Ze horen bij ons. Nu resten ons nog hun
namen. Gegrift in steen blijven zij in ons midden. We keken er naar. Een blijde
herinnering. Soms voelt het als een zware last, een zware steen op ons hart. We
missen hen. U die hen na staan missen hen. Maar vandaag, vandaag noemen wij hen
bij de naam. Komen zij even tot leven. Een glimlach van herinnering komt ons op
de lippen. Tegelijk overvalt ons dat zware gevoel van verdriet van gemis. Kon ik
nog maar even met je praten. Mocht ik je nog maar even zien.
Dat gevoel, die blijde herinnering, ze raken ook hen in ons midden, die buiten
onze gemeente of in een voorgaand jaar afscheid moesten nemen, van een lieve
echtgenoot, van je moeder, je vader, een kind misschien. Ook met u, met jullie
voelen we ons verbonden vanmorgen. Ook met jullie willen we dat verdriet delen,
die enorme leegte vullen.
Waar zijn ze toch. Dat vragen we ons af. Aan de voeten van onze Heiland. Dat
geloven we. Dat heeft Hij Zelf beloofd. Maar die stemmen om ons heen. In kranten
en boeken, op radio en televisie, in de kerk zelfs. Overal horen we die stemmen.
Luider en luider worden ze: “God bestaat niet en dood is dood. We hebben het
allemaal maar verzonnen”.
Dat geloven de Sadduceeën die bij Jezus waren ook. Zij geloofden niet in de
opstanding. En met een strikvraag aan Jezus proberen zij Jezus van zijn ongelijk
te overtuigen. Het waren kenners en handhavers van de wetten van Mozes. De
Thora. Met woorden proberen zij Jezus uit zijn tent te lokken. Heel netjes. Heel
beleefd: “Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven…” En dan noemen
ze een tekst uit Deuteronomium 25, waarin wordt geregeld, dat de vrouw van een
overleden man, die geen kinderen heeft moet ten huwelijk worden genomen door
haar zwager, zodat de naam en de bezittingen van de overleden broer in zijn
familie bleven.
Nou meester en als dat nou eens zeven keer zou gebeuren. En alle zeven keren
zouden er geen kinderen komen , dan zou die weduwe kinderloos sterven, nou
Meester, vertel ons dan meer eens: Wiens vrouw zal ze zijn bij de opstanding?
De Here Jezus had het af kunnen doen: Jullie geloven niet eens in de opstanding,
wat zeur je nou. Gelukkig deed Hij dat niet, al kon Hij het niet laten om hen
aan het eind van het gesprek even stevig van repliek te dienen. Jullie geloven
niet in de opstanding, omdat Mozes dat zou hebben gezegd? Nou Hij heeft mijn
Vader in de hemel een God van levenden en niet van doden genoemd. En Hij noemde
mijn Vader de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Die waren dood toen hij dat zei.
Zo zou Hij God niet kunnen noemen als God alleen maar een God van levenden zou
zijn. Mozes gaat er dus van uit dat Abraham en zijn opvolgers leven, dus dat zij
zijn opgestaan uit de doden. Nou heren Sadduceeën ga daar maar eens goed over
nadenken. Schaakmat zouden wij zeggen. Slechts een enkele geleerde had de moed
om zijn ongelijk toe te geven.
Ik zei ze net: Gelukkig heeft de Messias die strikvraag niet genegeerd. Gelukkig
voor ons ook, want nu kunnen we uit de mond van Jezus horen, dat er wel degelijk
twee werelden zijn. De wereld, het leven van voor onze dood, ons leven op aarde
en… en een komende wereld, de wereld van na onze heengaan. En die beide werelden
zijn op geen enkele manier met elkaar te vergelijken. Je hebt dus ook twee
soorten regels, die van de aarde, die het leven hier op aarde mogelijk moeten
maken. Die hebben een beperkte houdbaarheid. De einddatum is de datum van onze
dood. En je hebt regels van de komende wereld. Noem het de hemel, noem het de
nieuwe aarde. Die hebben eeuwigheidswaarde, immers, zegt Jezus, zij kunnen niet
meer sterven.
Hier gaat het om de behoefte van ons lichaam: Gezondheid, lekker eten en
drinken, werk naar je zin, een lieve vrouw of man, een prachtige trouwdag.
Daar hebben we dat allemaal niet meer nodig. Immers we hebben ons lichaam
afgedaan. Daarmee vervallen al die behoeften. Er hoeft dus niet meer te worden
getrouwd. Het leven is letterlijk en figuurlijk van een andere orde, een hogere
orde. Gods orde. En wij, en hen die wij ons vandaag herinneren zijn waardig van
dat leven te genieten. Niet omdat zij, omdat wij zo goed zijn. Het waard zijn.
Nee omdat Jezus Christus het de moeite waard vindt om dat voor ons mogelijk te
maken. Hij ging ons voor in het graf. God schonk Hem en daarmee ons het leven
terug. Daarom eren wij hen, die ons zijn voorgegaan als dierbare doden, dat is
heel menselijk maar laten we hen ook eren als mensen, die voor God zo de moeite
waard zijn, dat het tegelijk ook dierbare levenden zijn. En dat maakt je ook op
een dag als vandaag een beetje blij en tegelijk heel dankbaar. Dankbaar voor wie
ze waren. Dankbaar voor wie ze zijn.
Hoe dat is? Dat is niet te begrijpen met het verstand en de wijsheid van deze
wereld. Daar kunnen we niet achterkomen en daarom is het ook beter daarover niet
te speculeren, zo leert ons het evangelie. Beter is het daarover in beelden te
praten en te denken. Dat zal ons troosten. Ik moet denken aan dat kleine meisje
in Geertruidenberg. Ontroostbaar was ze toen haar mama heel erg ziek werd en
stierf. Waar is mama nou, oma vroeg ze met betraande ogen. Als het donker is zal
ik het je laten zien, beloofde oma. In de vroege avond liepen ze hand in hand
naar buiten. De lucht was helder. Kijk maar naar boven daar is mama. Zie dat
kleine sterretje dat is mama. Glimt ze niet prachtig? Kijk er maar vaak naar,
elke keer als je huilen moet.
Nog geen half jaar later stierf opa. Oma huilde van verdriet. ’s Avond nam het
meisje haar oma mee naar buiten. Huil maar niet oma, kijk daar naast mama, daar
is opa. Nu zijn ze samen en kunnen we ze altijd zien.
Zo’n verhaal lieve mensen, zo’n verhaal daar wordt je stil van, elk woord, elke
discussie verstomt bij zoveel geloof. Amen.