Liturgie voor de dienst op Bijbelzondag 28 oktober 2007.

Thema: “Thuiskomen”

Voorganger: ds. Theun Palma

Organist: Johan Oenk

Cantorij o.l.v. Edze van der Laan

 

Welkom en mededelingen

Aansteken van de paaskaars

Aanvangslied: Psalm 84 : 1,2,3

Stil Moment

Votum en Groet

Drempelgebed

Klein Gloria

Kyrie

Cantorij en gemeente: Psalm 105:

Brengt dank aan de Heer,

roept hem bij zijn Naam Maakt bij de volken zijn handelen bekend.

Zingt voor hem, wilt spelen voor Hem,  

Maakt gewag van zijn wondere werken!

Prijst u gelukkig met zijn heilige naam,

Verheuge zich het hart van wie zoeken naar de Heer! 

Vraagt raad bij de HEER en zijn sterkte,  

zoekt zijn aangezicht gestadig

Gemeente Psalm 105 : 3 & 4

Cantorij:

Ere zij den Vader en den Zoon En den heiligen Geest  Als in den beginne, nu en immer En van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Gebed om Verlichting met de Heilige Geest:  Gezang 329 : 1,2,3

Kinderen

1e lezing: Ruth 2 : 1 t/m 12 

Gezang 458 vers 1 & 3 cantorij en vers 2 & 4 door de gemeente 

2e lezing: 1 Petrus 2: 11-17 

Gezang 455 : 2+3

Verkondiging

Orgelspel

Als het lukt doen de kinderen hier iets

Lied van de school:  Psalm 146 : 1

    Dankzegging, voorbeden, stil gebed  cantorij Onze Vader

Actie: Bijbels voor Exodus  + voordracht  “Thuiskomen                                                                                                                   

Inzameling van de Gaven

Slotlied:  Gezang 301 : 1,2,5                                                                                                                                    

Heenzending en zegen.

Gemeente van de Heer, in het licht van deze Bijbelzondag zou ik u misschien beter kunnen aanspreken met: Medevreemdelingen, asielzoekers, medepelgrims, reisgenoten.

Ja, want daar gaat het vandaag, daar gaat het de bijbel10daagse om. En dat is zo, omdat het daar in de bijbel om gaat: Wij zijn vreemdelingen, asielzoekers in ons eigen land, in onze eigen stad. Zelfs rasechte Hattemers zijn hier in Hattem ‘vreemdelingen’, te gast, op doorreis. Paulus zegt het in zijn brief aan de Hebreeën als volgt: “Onze stad is immers niet blijvend, wij kijken juist verlangend uit naar de stad die komt”.

Naar die stad zijn we op weg. Daar is ons thuis. Pas daar mogen we ons permanent vestigen. Tot zolang zijn wij te gast in ons eigen huis, in onze eigen stad. Ook al voelen we ons hier thuis. Als je thuis komt na een drukke werkdag, na een lange vakantie, wel dan kun je je soms zo goed voelen, veilig en geborgen. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. Oost west, thuis best. Thuis is de plek waar je jezelf kunt zijn. Daar kun je je letterlijk ‘thuis’voelen.

Maar in de bijbel heeft dat ‘thuiskomen’ een veel diepere betekenis. Op aarde zijn we vreemdelingen en gasten. “Bijwoners” schrijft de NBG vertaling. We zijn er ‘ellendig’ aan toe.

En dat vinden we nou zo jammer van die bijbel, zo vervelend in de kerk. Altijd zo negatief. Het is altijd maar ellende, hoor ik mensen, hoor ik vooral jongeren, hoor ik ook mijzelf zeggen. Kan het nou echt niet een beetje vrolijker?

En toch is het echt waar. We zijn er ellendig aan toe, al hebben we het nog zo goed, al zijn we nog zo blij, al voelen we ons nog zo thuis. Wij gelovige mensen, u, jij en ik; we zijn ellendige mensen. Maar dan niet in de negatieve betekenis die wij er aan geven. Het woord ‘ellende’ is namelijk afgeleid van ‘elders’ en ‘land’. “Ellande”. Ellende betekent ‘uitlandig zijn’. En in dat licht betekent thuiskomen letterlijk ‘het einde van de ellende’, van het uitlandig zijn. Eindelijk zijn we echt thuis en samen zijn we op weg naar de dag van Christus. Samen komen we thuis. Eens zullen we allemaal ‘thuis’ zijn. Luther schrijft het in zijn Bijbelcommentaar zo: “Burgers zijn we in de hemel, op aarde zijn we pelgrims en gasten”. We zijn asielzoekers met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Alleen God kent de geldigheidstermijn.

Die verblijfsvergunning, dat is onze bijbel. Daarin vinden we de weg die we als pelgrims gaan moeten. Daarin vinden we de regelgeving, waaraan we ons als gast moeten houden. Vooral Petrus schrijft daar helder en duidelijk over. De Bijbelvertalers hebben boven het stukje, dat we net hebben gehoord terecht de titel ‘de goede levenswandel’ gezet. Bij ons leven als “gast-op-aarde”, die “burger-in-de-hemel” wil worden, hoort een bepaalde levensstijl. Petrus beschrijft ons die. Ruth leeft ons die voor.

Maar we beginnen bij Petrus. Hij richt zich tot de gemeente en hij splitst zijn les in twee delen: Een negatieve en een positieve. Voor we die gaan bekijken moeten we eerst weten, dat dat positieve en dat negatieve niet los van elkaar kan worden gezien. Het negatieve deel vindt zijn zin in het positieve deel. Het ‘nee’ wordt uitgesproken ter wille van het ‘ja’, schrijft prof. Bolkestein in zijn commentaar.

Die negatieve dingen klinken als een waarschuwing met het vingertje omhoog: “Ik vraag u dringend niet toe te geven aan zelfzuchtige verlangens [ aan vleselijke begeerte, staat er in oudere vertalingen ] aan zelfzuchtige verlangens, die uw ziel in gevaar brengen”. Waar heeft hij het over, vraag je je af. Zelfzuchtig verlangen. Dat snappen we nog. Het zal wel zoiets betekenen als ‘egoďstisch zijn’ , alleen maar aan jezelf denken. Dat is ook zo. Maar die vleselijke begeerte dan. Gaat het daar over foute sex of zo? Ook dat kan zo zijn. Maar het gaat in beide vertalingen om meer. Veel meer.

Neem nou dat woordje ‘begeerte’. Net als ellende vatten wij dat op als iets negatiefs. In de bijbel is het een woord met een neutrale betekenis. Positief of negatief wordt het door het woordje dat er voor staat. In dit geval ‘vleselijk’ en dat is wel negatief. Vleselijk is alles wat op ons eigen welzijn, op onze eigen behoeften, op onze eigen belangen is gericht. “Trots op Nederland”. Prima, maar ten koste van wat, ten koste van wie?

Het zijn de afgoden van ons leven. En afgoden, het woordje zegt het al, afgoden zijn dingen, die ons van ‘god af’ brengen. Die ons maken tot mensen, zoals God die niet heeft bedoeld. En daarom staat er ook “die onze ziel in gevaar brengen”. “Ziel” = het wezenlijke in de mens. Het doel, waarvoor God ieder van ons heeft geschapen. De vraag is dus of we alleen doen willen wat goed is voor ons zelf of willen we vreemdeling zijn en leven zoals God ons heeft op bedoeld.

Doen we dat laatste dan zullen we niet langer een vreemdeling zijn, maar dan zijn we burgers in Gods Koninkrijk. Ons leven nu is zo onlosmakelijk verbonden met ons leven dan. Het gaat er om, dat nu al gezien en gehoord wordt waarheen wij op weg zijn, zodat anderen met ons meetrekken. Dat maakt ons leven pas echt belangrijk en zinvol en niet ons inkomen, onze status, onze bezittingen en noem maar verder op.

Ruth belijdt haar geloof: Uw God is mijn God. En ze gedraagt zich er naar. Ze laat de afgoden achter zich in Moab en zorgt voor Naomi. Zij wil de minste zijn op het veld van Boaz.

Zijn naam betekent: “in Jahweh is kracht”. Ook hij zoekt het bij zijn Heer en huisvest de vreemdelinge. Zo worden die twee met elkaar verbonden in hart en ziel. Dat kan geen toeval zijn en dat is het ook niet. God leidt haar leven, zoals Hij ook het onze leidt. Hij heeft met het leven van Ruth een speciale bedoeling: Eens zou uit hun geslacht David worden geboren en uit het geslacht van David wordt Jezus geboren, door wie en aan de hand van wie wij ons thuisreis zullen voltooien. Uit de losser Boaz wordt de Verlosser Jezus geboren. Zo is en zo wil God onze reisleider zijn. Wij hoeven maar te volgen. Op het geluid van zijn stem af te gaan. Jezus Christus ging ons voor. Zoals Hij dat deed zullen wij de vreemdeling in onze steden moeten aanvaarden als reisgenoten en hen een thuis geven zoals Boaz Ruth een thuis gaf. Op de zevende dag zal ook rusten de ‘vreemdeling die in uw stede is”. En dat betekent niet dat hij of zij zich altijd maar moet aanpassen aan onze gewoonten. In het licht van ons vreemdeling-zijn betekent dat dat als we ons zelf rust gunnen [ of iets anders natuurlijk], dat we dat dan ook de ander moeten gunnen. Moeten is dus altijd een ‘heilig moeten’. Niet om macht op anderen uit te oefen, anderen ons geloof op te leggen, maar om de ander een tijdelijk thuis te bieden, zodat we eens allemaal werkelijk thuis zullen zijn. Ieder op zijn/haar tijd. Nee ieder op Gods tijd.

Dan zullen ook voor ons die machtige woorden van Boaz klinken: “Moge de Heer je daarvoor rijkelijk belonen – de Heer, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht”.

Deze zegen, uitgesproken over Ruth, vertelt ons twee belangrijke dingen: Ten eerste wordt de zegen uitgesproken om dat wat Ruth heeft gedaan. De keuze die zij heeft gemaakt en ten tweede omdat zij haar toevlucht bij God heeft gezocht. Omdat ze deed, wat ze deed: De zorg voor haar schoonmoeder en de belijdenis, dat zij God zal dienen mag zij verder leven onder de vleugels van de Heer, die haar uiteindelijk een thuis zal bieden, een thuis aan de voeten van haar Heer en Heiland. Van vreemdeling wordt zij burger. Medeburger in Gods Koninkrijk.

En dat geldt voor ons allemaal. Onder die zegen mogen wij leven. Onder Gods vleugelen mogen wij op reis zijn. Ook al is ons leven misschien moeilijk, zoals dat van Naomi. Ook al missen we een thuis. Komen we nu nog in een leeg huis. Eens zullen we allemaal vreemdeling af zijn. Als we maar als vreemdelingen met vreemdelingen willen leven, hen een verblijfsvergunning geven in ons leven, tussen ons in.  Elkaar tot zegen zijn. Want dan is Hij ook ons tot zegen. Amen.