Liturgie voor de dienst van Woord en Maaltijd op 9 september 2007.
Welkom en mededelingen
Aansteken Paaskaars met gesproken tekst
Intochtspsalm: psalm 146 : 3+4
Stil gebed
Votum en Groet
Drempelgebed
We vragen de Heilige Geest om oprecht geloof. Dat we ons geborgen weten. Heer, schenk ons uw goedheid. Laat ons uw liefde ervaren, Dat we elkaar van harte kunnen liefhebben. En in vrede in een geest met elkaar leven. Trooster in alle nood. Help ons, dat we ophouden ons te weren tegen alles wat tegen uw wil ingaat. Amen.
We zingen: Klein Gloria
Kyrië: Met tussenzang cantorij: Kyrië, Kyrië, Kyrië eleison [ meezingen ]
Laten wij de Heer aanroepen voor heel zijn wereld: .....
Omwille van uw mensen, Heer, kinderen van één Vader,
zusters en broeders uit één huis, die elkaar naar het leven staan,
roepen wij tot U Kyrie, eleison!
Omwille van uw mensen, Heer, die de moed hebben opgegeven,
die zichzelf een mislukking achten en doof zijn geworden
voor elk woord van liefde,
roepen wij tot U: Kyrë, eleison!
Omwille van uw mensen, Heer,die vrede zoeken,
die verlangen naar een leven met U, met elkaar,
roepen wij tot U: Kyrie, eleison!
Glorialied: gezang 434: 1
Gebed van de zondag:
Goede God, ooit klonk uw woord
als muziek in de oren van profeten en apostelen.
Geef dat ook wij vandaag door uw heilige Geest
vervuld mogen worden van uw stem.
Dan zullen wij zingen van uw koninkrijk dat komt
voor alle mensen, nu en in alle eeuwigheid.
Amen.
Lied van de school: Gezang 1 : 1+4 [ naspel kinderen naar de nevendienst ]
1e lezing: Deuteronomium 30 : 15- 20
We zingen: Gezang 104 : 1 cantorij, vers 2 en 4 gemeente
2e lezing: Jacobus 1 : 2-18
We zingen: Gezang 326 : 1+4 cantorij vers 2 + 5 gemeente.
Verkondiging
Orgelspel
Zingend belijden we ons geloof met het lied: GEROEPEN OM TE ZINGEN. Lied 188
Dankzegging en voorbeden mw. v.d. Linden
Inzameling van de Gaven tijdens orgelspel
Viering Heilig Avondmaal volgens uitgedeelde tekst.
We zingen: GEROEPEN OM TE ZINGEN,LIED 201 : 1,2,3,4 [ GRAAG EEN KEER VOORSPELEN ]
Tijdens de viering zingen we respectievelijk: Gezang 457 : 1 en gezang 51 : 1 + 3
Na dankzegging zingen we het slotlied: Gezang 242 : 3+4
Heenzending + zegen.
Zusters en broeders,
Zo begint Jacobus zijn brief. En waarom zouden wij, dat ook niet een keer doen. Broeders en zusters. Het klinkt ouderwets. Dat zeggen we eigenlijk nooit meer, maar er zit toch ook wel iets moois in. Het zegt iets over de bijzondere relatie die wij met elkaar hebben. Collega’s zijn we niet. Ook lang niet altijd vrienden of familie. We hebben contact met elkaar, omdat Jezus contact heeft met ons. Dat brengt ons bij elkaar. Dat bindt ons. Dat maakt onze omgang met elkaar zo bijzonder.
Als zusters en broeders delen we straks brood en wijn. Geen etentje onder vrienden. Als broeders en zusters eten en drinken we en vieren we feest omdat Jezus Christus er voor ons was, is en altijd zijn zal.
Dat mogen we geloven. En dat geloof delen we met elkaar. Voor dat feest mag ik u uitnodigen. We gaan samen eten. De feestkaars van Pasen brandt. In Jezus zijn wij verbonden.
Zo heb ik geprobeerd naar deze morgen toe te leven. Opgewekt luister ik naar Jacobus. Maar dat valt tegen. Al direct bij het horen van die eerste zin: “Het moet u tot grote blijdschap stemmen, broeders en zusters…. Ja en dat doet het ook. Blijdschap alom. Het begint goed. Maar dan gaat Jacobus verder. Er is helemaal geen sprake van een feest. Had ik het dan helemaal fout vorige week? De reden tot grote blijdschap is, schrijft Jacobus, “dat u allerlei beproevingen ondergaat”.
Dus we moeten blij zijn, dat het geloven me moeilijk wordt gemaakt met allerlei tegenslagen. Dat gelovigen, zoals onder andere in China, worden vervolgd, geen baan kunnen krijgen en soms nog veel erger, alleen maar omdat ze uitkomen voor hun geloof in de Here Jezus. Of dichter bij onszelf: We moeten blij zijn, dat we verdriet hebben, dat we aan alles en iedereen twijfelen? Dat ziekte en ellende ons leven raken? Onbegrijpelijk. Wat vraagt God hier toch van ons. Laten we eens bij een andere Bijbelschrijver te rade gaan: Petrus. In zijn eerste briefje lees ik [1: 6]: “Verheug u hierover, ook al moet u tot uw verdriet nog een korte tijd allerlei beproevingen ondergaan”. Dit klinkt al anders. Kennelijk mag je wel verdrietig zijn als er erge of moeilijke dingen gebeuren in je leven. Maar toch ook hier: “Verheug u”. Blij zijn? Ook al ben je verdrietig? Dat kan helemaal niet.
Terug naar onze tekst. Ik ben maar eens geen kijken hoe het er oorspronkelijk heeft gestaan. Toen zag ik het. De vertaling “blijdschap” heeft ons op een verkeerd spoor gezet. Het gaat hier om vreugde: “Alles wat de mens op de proef stelt is vreugde”. Zo ongeveer staat het er. En dat woordje vreugde is niet de blijdschap zoals wij die kennen. We zijn blij dat het goed gaat. Nee ‘vreugde’ is een soort talent. Het is een speciale gave, die ons eens gegeven zal worden. NU wordt ons vers heel anders. Wij zijn verdrietig om wat ons overkomt. We twijfelen aan ons geloof, maar wees standvastig, houdt vol, want wat je overkomt is niet het laatste. Eens komt er een tijd van louter vreugde. Dan zullen alle verdriet, alle twijfel, alle zorg achter ons liggen. “Vreugde, vreugde louter vreugde” zingt een lied uit ons liedboek.
Het is dus zoiets als: De levenstunnel is lang en soms aarde donker. Maar we weten en we geloven: We komen eruit. Er komt een moment dat we die donkere tunnel achter ons laten.
Maar waarom dan al die tunnels, waar we door moeten. Het antwoord is simpel: Tunnels worden gegraven omdat het land grillig is. Vol bergen en dalen, onbegaanbare wegen. Het leven is soms net zo grillig. Soms haast niet om door te komen. Er lijkt geen einde aan te komen. Net als door die tunnel: Daar zullen we door heen moet. Verdriet en zorg, ziekte en ellende. Het zijn de tunnels van ons leven. Van ons geloof soms. Maar hou vol. Er komt een einde aan. Het zal weer licht worden. Wat een …. Nee niet blijdschap, … wat een vreugde. Nu klinkt ons vers heel anders: “Het moet u tot grote blijdschap/ vreugde stemmen, als u allerlei beproevingen ondergaat”. Die blijdschap slaat dus niet op die beproevingen. Ze slaat op de belofte, dat er eens een tijd zal komen, ook al lijkt het er in de verste verte niet op, dat er eens een tijd zal komen, dat die beproevingen tot het verleden zullen behoren. Dat er licht is aan de horizon. En als we dat volhouden, lees ik in vers 4, als we dat volhouden, wel dan ‘zult u volmaakt en volkomen zijn, zonder enige tekortkoming”. Nee, niet ooit eens. Nu al. Voor God zijn we volmaakt als we werkelijk geloven, dat er ooit een nieuw leven, een nieuwe schepping zal zijn. Want als we daar werkelijk in geloven, dan gaan we er als vanzelf ook aan werken, naar toe werken. Dan gaan we werken aan een nieuw leven, een betere wereld. Dat is de kern van Jacobus’ boodschap: Geloven en werken lopen synchroon. Voor Jacobus zijn ze eigenlijk synoniem. Geloven is doen. Doen is geloven. Dan proberen we te leven, zoals ons in Deuteronomium 30 wordt voorgeschreven: “Houdt u aan de geboden, zoals Ik ze u vandaag heb gegeven: Heb God lief en elkaar. Laat je niet verleiden door de goden, die je leven omgeven Doen we dat. Wel dan zullen we wonen in het land, dat God ons geven zal. Doen we dat? Wel dan zullen er in onze levenstunnels overal lichtjes branden, oplichtende pijlen die ons de weg wijzen. Zo leven, zo geloven daarvoor is wijsheid nodig. Nee geen aardse wijsheid. Hemelse wijsheid. Geen menselijke wijsheid, wijsheid van boven: Gods wijsheid. Daarom mogen we Hem vragen: “Vraag God er om en Hij, die aan iedereen geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal u wijsheid geven”. Als je er maar in gelooft net als in ons dagelijks leven: Als je ergens niet in gelooft, wel begin er dan maar niet aan. Er zal niets van terecht komen. Geloven we er in, wel ook dan zal het lang niet altijd makkelijk gaan, zullen er vele hobbels en kuilen zijn. Zullen we het bijltje er bij neergooien. Het lukt toch niet. Maar dan kom ik toch weer terug op het begin: Wij zijn broeders en zusters. Dat schept een band. Dat maakt het mogelijk niet alleen te blijven tobben, maar samen aan de slag te gaan. En als het samen lukt, wel dan is het feest. Drinken we er op. Delen we brood en wijn. En aan het einde van de tunnel daar wacht Jezus Zelf. Met een gedekte tafel. Hij zal ons uitnodigen om met Hem mee te eten. Bij Hem aan tafel te komen. Tot het zover is eten wij het brood en drinken wij de wijn op Hem, die er voor ons was, die bij ons is en die er zijn zal tot in eeuwigheid. Amen.